De plekken waar wij nu zoveel plezier beleven, midden in de natuur, zagen er vroeger heel anders uit. Dat wat er voor ons uitziet als een grote zandbak, was toen begroeid met heide of bos. Door menselijk handelen vanuit een goede bedoeling, ontstonden grote problemen.

Cultuurgronden op de Veluwe
Bewoning en agrarische activiteiten op de Veluwe waren in de vroege middeleeuwen vooral geconcentreerd op de hogere zandgronden van het Veluwemassief. Graanteelt vond vooral op kleine schaal plaats op omheinde akkers, de enken. Vanaf het jaar 1000 groeide de bevolking en werd gezocht naar manieren om de graanproductie te verhogen. Langs de randen van de Veluwe – in de Gelderse vallei, de IJsselvallei en langs de Zuiderzee werden lager gelegen gronden in cultuur gebracht. Ook de boeren op de hoge zandgronden trachtten hun productie te verhogen. Om de productiviteit op de schralere zandgronden te verhogen was bemesting cruciaal. Daartoe werden op de uitgestrekte, woeste heidevelden steeds grotere aantallen schapen gedreven, terwijl de bossen werden gekapt om plaats te maken voor cultuurgrond. Om voldoende jonge aanwas op de heidevelden te bevorderen werden bovendien grote stukken heide door de Veluwse boeren afgebrand.

Zandverstuivingen
Ontbossing, overbeweiding en het afplaggen van heide ten behoeve van plaggenbemesting resulteerde in overexploitatie van de woeste gronden op de Veluwe. De graanproductie op minder geschikte zandbodems leidde tot verdere uitputting van de toch al schrale bodem. Als gevolg hiervan ontstonden aan het einde van de veertiende eeuw  de eerste zandverstuivingen. De rekeningen van de hertogen van Gelre spreken dan al van verarming van de plattelandsbewoners in de ambten Garderen, Ermelo en Epe. In het midden van de vijftiende eeuw wordt melding gedaan van ‘weyinge der sande’ in de kerspelen Ede, Heerde en Wezep, waardoor ook daar de landbouwopbrengsten terugvallen. Deze stille ecologische ramp leidde tot armoede en stagnatie van de bevolkingsgroei. De landbouwactiviteiten van de Veluwse bevolking was vooral gericht op zelfvoorziening, en bood niet of nauwelijks ruimte om meer mensen van voedsel te voorzien. Om de overexploitatie tegen te gaan werd het gebruik van de woeste gronden in de vijftiende eeuw steeds verder gereguleerd door de markegenootschappen.

Redden wat er te redden valt
Om te voorkomen dat er nog meer landbouwgronden verloren gingen, werd in 1556 het Placaet en Ordonnantie op het Heetbranden en Sanden op de Veluwe uitgevaardigd. Voortaan stond de doodstraf op het brand stichten op de heide. Toch leken de zandverstuivingen nauwelijks te stoppen: in 1598 strekten de zandverstuivingen zich uit van Harderwijk tot oostelijk van Nunspeet. Pas vanaf de negentiende eeuw werden er initiatieven genomen door de overheid en door particuliere initiatieven om door massale bosaanplant de verstuivingen een halt toe te roepen.

 

Literatuur: