Afgelopen januari werd de wereld opgeschrikt door de oorlog tussen Rusland en Oekraïne. Een conflict dicht bij huis en een tafereel dat we in Europa lang niet meer gezien hebben. De beelden laten helaas een onuitwisbare indruk achter. Waarschijnlijk is de impact van oorlogsgeweld op mensen van alle tijden.

Conflictsituaties waren aan het einde van de middeleeuwen niet ongewoon. Dit betekent niet dat er zondermeer oorlog gevoerd werd. Er waren wel degelijk regels omtrent het opnemen van de wapens en het toepassen van geweld. Verbazingwekkend genoeg kunnen wij ons tegenwoordig redelijk goed met deze regels identificeren. Zo mocht er alleen oorlog gevoerd worden om het aangedane leed te wreken (maar wel binnen proportie), een oorlog alleen begonnen worden door het gezag en mocht een oorlog niet omwille van machtsuitbreiding of bloeddorst plaatsvinden. Uit verschillende verslagleggingen uit de late Middeleeuwen blijken deze ‘regels’ niet alleen denkexercities zijn, maar ook daadwerkelijk als argumenten worden opgevoerd voor een (on)terechte krijgshandeling.

Iemand die volgens de overlevering deze regels veelvuldig overtrad, was Karel van Egmond, hertog van Gelre, aldus de geschiedschrijvers uit die tijd. Niet in alle gevallen hadden deze auteurs een overtuigend punt tegen de hertog, maar het is toch onmiskenbaar dat Karel van Egmond dikwijls naar de wapens greep om zijn territorium te kunnen uitbreiden.

De vele conflicten die omtrent het hertogdom Gelre plaatsvonden aan het einde van de vijftiende eeuw en het begin van de zestiende eeuw kennen we tegenwoordig als de Gelderse oorlogen. Uiteraard werden ze toentertijd niet zo genoemd en waren het allemaal op elkaar volgende losse conflicten die voortkwamen uit vergelijkbare drijfveren.

Een gegeven blijft dat de steden en de bevolking op de Noordwest Veluwe en aan de IJssel veel hinder ondervonden van deze oorlogshandelingen en er misschien wel toe heeft geleden dat ze de voorsprong die zij economisch hadden in de vijftiende eeuw ten opzichte van de Hollandse steden voorgoed verloren.

Bourgondië Habsburg enerzijds en Gelre anderzijds
Om de Gelderse oorlogen enigszins te begrijpen is het belangrijk dat er eerst stilgestaan wordt bij de verhouding tussen Bourgondië (later Habsburg) en Gelre. De conflicten zijn namelijk deels te verklaren uit de moeizame relatie tussen beide. In de vijftiende eeuw vond er in de Nederlanden een proces plaats dat ook wel de Bourgondisering van de Nederlanden wordt genoemd. De Bourgondische hertogen wisten steeds meer gebieden in de Nederlanden binnen hun invloedsfeer te krijgen. Hierdoor raakte het hertogdom Gelre geografisch ingesloten. Uiteindelijk kwam ook aan het einde van de vijftiende eeuw het hertogdom Gelre onder het gezag van de Bourgondiërs.

De situatie rondom het hertogdom Gelre veranderde toen Karel van Egmond, nadat hij opgevoed was aan het Bourgondische/Habsburgse hof, gevangen werd genomen door Franse troepen in Vlaanderen. Zijn tante, regentes van het hertogdom Gelre onder de Bourgondiërs, wist hem vrij te kopen en te installeren als hertog van Gelre. De situatie ervoor was nogal tumultueus: Karels vader was gevangen genomen door de Bourgondiërs, zijn opa had gepoogd met hulp van de Bourgondiërs het hertogdom Gelre weer in zijn bezit te krijgen, maar door een plotseling overlijden van de voormalige hertog van Gelre vond dit niet plaats en nam de hertog van Bourgondië Gelre in ten koste van de ‘oproerkraaiers’. Hoewel de Bourgondische bronnen verhalen over een goede en zorgzame opvoeding van Karel van Egmond aan het hof, is het wantrouwen van Karel tegenover de Bourgondiërs en Habsburgers niet ondenkbaar als men zijn eigen gedwongen voogdijschap, de gijzelneming van zijn vader en de inname van het hertogdom Gelre door de Bourgondiërs in overweging neemt.

Het einde van deze conflicten in 1543 betekende ook het einde van de zelfstandigheid van het hertogdom Gelre. Na 1543 maakte het hertogdom deel uit van de zeventien provinciën der Nederlanden onder Karel V.

Brandschatting en overlast van inkwartiering
Het wordt langzamerhand tijd om ons te richten op de steden aan de Zuiderzee en het gebied ten Noordwesten van de Veluwe. Zoals gezegd bestonden oorlogen in de middeleeuwen vaak uit verschillende conflictsituaties en veldslagen op land en ter zee. Dit is een andere situatie dan tegenwoordig waarbij het strijdtoneel wordt gekenmerkt door een aaneenschakeling van gewapende strijd. Toch zal de ellende groot geweest zijn. Zo kon de lokale bevolking onder andere getroffen worden door brandschatting, plundering, inname van een stad, handelsembargo’s, kaping van schepen en goederen, geen toegang tot straten en stromen buiten het hertogdom. In het onderstaande zijn een aantal voorbeelden van gebeurtenissen opgenomen die hun sporen hebben nagelaten in onze archieven. Zij zullen nooit precies het menselijk leed kunnen weergeven, maar geven ons wel een inkijkje in wat er speelde.

Het verwarrende van het begrip brandschatting is dat dit zowel door de eigen partij als door de vijand opgelegd kan worden. Het is een soort oorlogsbelasting. En zoals te verwachten valt, gebeurt dat soms door beide partijen in hetzelfde gebied in dezelfde tijd. Uiteraard met het gevolg dat de lokale bevolking berooid achter bleef.

In Ermelo brengt men in 1516 het bedrag van 1300 goudgulden op voor de hertog. Destijds was dit erg veel geld. Zo verdiende een wachter op de stadsmuur te Elburg ongeveer 50 goudgulden op jaarbasis, exclusief inkomsten in natura. Door deze betaling was Ermelo wel twaalf jaren gevrijwaard van belasting. Om en nabij hetzelfde jaar geeft de stad Harderwijk aan dat ze de gevraagde schatting door de hertog niet kan opbrengen en vraagt om dispensatie. In 1519 laat de hertog met klem weten dat een benodigde en gevraagde brandschatting opgebracht dient te worden door de stad Elburg. Het feit dat de hertog dit met klem aangeeft, maakt enerzijds duidelijk dat de hertog het geld hard nodig had en anderzijds dat de gemeenschap van Elburg er ook moeilijk aan kon voldoen.

De voorbeelden laten zien dat de oorlogshandelingen en daarbij gepaard gaande kosten zwaar drukten op het gebied dat we tegenwoordig kennen als Noordwest Veluwe. De financiële slagkracht van deze regio zal in deze periode gering zijn geweest. De steden ondervonden niet alleen financieel hinder van de Gelderse oorlogen, maar ook ingekwartierde soldaten konden voor problemen zorgen.

In 1511 beklagen de burgermeesters en raad van de stad Elburg zich, omdat ingekwartierde troepen hun vertering niet willen betalen en enige tijd later dient men zelfs het verzoek in om de soldaten niet langer onder te brengen in de stad. In 1517 worden er door de hertog van Gelre nieuwe troepen ondergebracht in de vestingstad Elburg. Het lijkt er op dat deze troepen al snel voor overlast zorgen. Al na een jaar moet de hertog ingrijpen en bepaalt hij dat op zijn gezag de soldaten die geweld hebben gepleegd aangehouden moeten worden.

Is er dan helemaal geen lichtpuntje te noemen voor Gelre en Noordwest Veluwe? Met enige moeite zou de veldslag bij Aperloo zo gezien kunnen worden. De veldslag blijkt met een kritische blik toch eerder op een pyrrusoverwinning. Het is weliswaar zo dat het Gelderse leger als overwinnaar uit de strijd kwam, maar zij hadden aanzienlijke verliezen geleden en konden niet voorkomen dat boeren gevangen waren genomen en vee was ontvreemd.

Op 21 september 1521 om drie uur ‘s ochtends vertrekt een Stichts (i.c. is het Sticht het prinsbisdom Utrecht) leger onder leiding van Johan Kruse, rentmeester van Salland, vanuit Kampen om Gelders gebied binnen te vallen en de omgeving rond Elburg te brandschatten. Volgens de Kamper stadssecretaris Johan van Breda was het een groot succes en werden maar liefst 5000 stuks vee in beslag genomen en 200 boeren gevangen gezet. Nu moeten we altijd een beetje voorzichtig zijn met dit soort aantallen. Ze werden nog wel eens overdreven, maar zelfs wanneer we het aantal halveren dan zullen de veehouders rond Elburg zwaar gedupeerd zijn geweest.

Binnen vijf jaar twee keer gebrandschat
De brandschatting door vreemde mogendheden in 1521 staat niet op zichzelf. Op 18 september 1517 ontvangt het stadsbestuur van Elburg een brief uit Deventer waarin vermeld staat dat het gebrandschatte vee dat in Deventer is verkocht niet konden verhalen en zij lieten tevens weten dat de verhandelde schapen in Deventer niet afkomstig waren uit Elburg en omgeving [en dus elders naartoe waren gebracht].

In de tussen gelegen tijd had een Gelders leger lucht van de zaak gekregen en vernomen dat het Stichtse leger weer huiswaarts ging. Het Gelderse leger verschanste zich in de nabijheid van Aperlo. Het is hier waar het relaas over de veldslag begint. Het Stichtse leger was niet op de hoogte van een Gelders leger en werd verrast. Volgens de Kamper bron bestond het Gelders leger uit 300 ruiters en meer dan 1800 infanteristen. De geschiedschrijver is goed ingelicht en vertelt ons verder over de veldslag: de boeren van Elburg hadden bussen (kanonnen (kan ook klein stuks zijn)) in de huizen geplaatst. Met dit geschut werd het Stichtse leger in haar flank geschoten. Frontaal kwam het Gelderse leger van twee kanten. De kroniekschrijver vervolgt zijn relaas door te noemen dat het Stichtse leger zich zeer dapper verweerde en er aan beide zijden ongeveer evenveel doden vielen te betreuren. Nu zou je eveneens kunnen verwachten dat deze verslaglegging partijdig is, maar daarmee zouden we de auteur tekort doen. De Kamper stadssecretaris is weliswaar bevooroordeeld, maar doorgaans ook erg kritisch over Stichtse krijgshandelingen, in het bijzonder bij een nederlaag. Het Stichtse leger had volgens hem verliezen te betreuren en moest toestaan dat honderd ruiters gevangen werden genomen, daarentegen verloor het Gelderse leger twee legeraanvoerders, waaronder niet de minsten: Herman van Veelen, drost van Zutphen en de edelman Van Aeswijn. Qua verliezen was het misschien een gelijkspel, maar de Gelderse troepen behielden het veld. Dit hield in dat het Stichtse leger op de vlucht moest. Maar, zoals gezegd, kon het Gelders leger niet voorkomen dat het vee werd meegenomen en de boeren gevangen werden gezet.

Kapingen en handelsverbod
In 1510 worden er vier kapiteins ter dood veroordeeld door de stad Kampen. Zij waren op de Zuiderzee gevangen genomen. De kans is groot dat zij hun kaaptochten vanuit Elburg of Harderwijk ondernamen. In totaal werden er zeven kapiteins gevangen genomen. De veroordeling van de vier kapiteins werd gelegitimeerd doordat de hertog van Gelre geen kaperbrieven (ontsegbrieven) had uitgegeven. Volgens het middeleeuws recht was het dan geen oorlogsdaad, namelijk kaperij, maar piraterij. Uiteraard was Karel van Egmond woedend over deze terechtstelling en besloot op zijn beurt Oldenzaal in te nemen. Of het een en het ander daadwerkelijk met elkaar van doen had, is de vraag. De hertog voerde bij de bisschop van Utrecht, nadat hij zonder waarschuwing Oldenzaal had ingenomen en laten plunderen, het argument van de terechtstelling wel op als reden tot vergelding.

Een toch wel enigszins opmerkelijke oorkonde bevindt zich in het archief van Harderwijk. In deze akte zijn de stad Harderwijk en Amersfoort het volgende overeengekomen: wanneer het door Harderwijkers in beslag genomen bier financieel gecompenseerd wordt aan de burgers van Amersfoort zullen er geen verdere juridische stappen ondernomen worden door Amersfoort. Dit gold niet voor de daders. Zij konden nog altijd voor de beroving vervolgd worden. Zo zal deze inbeslagname weinig opgeleverd hebben.

Op de Zuiderzee werd ook het Gelders handelsverkeer bestookt met kapers. Bourgondische kapers maakten schepen buit en brachten daarmee de Gelderse steden aan de Zuiderzee grote schade toe.

Door handelsembargo’s had niet alleen de lokale gemeenschap, vooral de kooplieden, financieel te lijden, maar deze embargo’s konden er ook voor zorgen dat er schaarste ontstond en er honger werd geleden. De acties van de Bourgondisch/Habsburgse en Stichtse kapers en embargo’s lijken hun effect te hebben gehad. Uit een akte van 14 januari 1518 wordt duidelijk dat de kooplieden te Elburg hard worden getroffen door het verbod op uitvoer van koren. En drie jaar later besluit de hertog van Gelre nogmaals dat er te Elburg geen koren meer mag worden uitgevoerd.