Rond het jaar 1000 bestond de Zuiderzee nog niet maar bestond er een kleiner binnenmeer, dat het ‘Almere’ werd genoemd. Rondom deze getijdelagune waren in de voorgaande eeuwen brede veengebieden ontstaan, die zich aan de oostkant vanaf Giethoorn in zuidwestelijke richting, langs de hoger gelegen stuwwal van de Veluwe tot aan Utrecht uitstrekten.

De bevolkingsgroei en economische expansie die zich in Noordwest-Europa voltrok tussen circa 1000 en 1300 leidde tot de grootschalige ontginning van tot dan toe marginale, lager gelegen woeste gronden. Op de Veluwe had bewoning zich in de vroege middeleeuwen voornamelijk op de hoger gelegen zandgronden geconcentreerd, maar na het jaar 1000 begonnen inwoners de lager gelegen randen van de Veluwe – ook langs de Zuiderzeekust – te ontginnen. Deze ontginningsactiviteiten resulteerden in een toename van het landbouwareaal, maar leidden tegelijkertijd tot inklinking van de pas ontgonnen veenbodems.

Stormvloeden: een geluk bij een ongeluk?
Getuige verschillende middeleeuwse kronieken teisterden vele stormvloeden in de twaalfde en dertiende eeuw het gebied rondom de (latere) Zuiderzee. Zware stormen in de jaren 1163, 1164, 1170, 1173, 1196, 1214, 1219, 1220, 1221, 1246, en 1248 zorgden ervoor dat de lager gelegen veengebieden langs de kust in de golven verdwenen. Bovendien ontstond er een bredere verbinding tussen de Zuiderzee en de Waddenzee.

De opeenvolgende stormvloeden van de twaalfde eeuw zijn een onmiskenbare ramp geweest voor de bewoners van de Gelderse Zuiderzeekust. Toch hadden deze natuurrampen op de langere termijn ook een positief effect: het water van de Zuiderzee bood kansen voor het ontstaan van langeafstandshandel, die in de Middeleeuwen vooral over water plaatsvond. Het ontstaan van steden langs de Zuiderzeekust in de late twaalfde en vroege dertiende eeuw, op plaatsen waar water- en landhandelsroutes elkaar kruisten, hangt samen met het ontstaan van open waterwegen tussen de Zuider-, Noord- en Oostzee.
Kampen, Harderwijk en Elburg hadden hun positie in de interregionale (Hanze)handel nooit kunnen verwerven zonder de ingrijpende gevolgen van het wassende water van de Zuiderzee. De kustlijn van het laatmiddeleeuwse hertogdom Gelre én de IJsseldelta bij Kampen vormden bij uitstek plaatsen waar goederen uitgewisseld konden worden.

In de veertiende en vroege vijftiende eeuw beleefden Gelderse en Overijsselse steden gouden tijden door de positie die de regio had als transitogebied tussen het Duitse Nederrijngebied en de verder weggelegen economische kernregio’s in Noordwest-Europa: Vlaanderen, Engeland en het Oostzeegebied. De inwoners van de Zuiderzeekusten wisten ondertussen het gevaar van het water stukje bij beetje in te dammen door de aanleg van de eerste, primitieve zeedijken en het organiseren van het waterbeheer door de eerste waterschapsorganisaties. Toch zou de Zuiderzee tot in de twintigste eeuw een onvoorspelbaar en onstuimig buurtgenoot blijven.


Literatuur:

  • Bosch, R.A.A. en J. Oosterman, ‘Een centraal vorstendom, 1339-1423’ in: D. Verhoeven e.a. (red.), Verhaal van Gelderland II: Gelderland als zelfstandig graafschap en hertogdom (te verschijnen; Amsterdam 2022).
  • Buisman, J., 1000 jaar weer, wind en water in de Lage Landen I: tot 1300 (Franeker 1995).
  • Gottschalk, M.K.E., Stormvloeden en rivieroverstromingen in Nederland I: de periode voor 1400 (Assen 1971).
  • Popta, Y. van, When the shore becomes the sea. New maritime archaeological insights on the dynamic development of the northeastern Zuyder Zee region (AD 1100 – 1400), the Netherlands (Groningen 2020).