Een pandemie. De betekenis van dit woord is de afgelopen paar jaar maar al te goed tot ons doorgedrongen. Deze pandemie was echter niet te vergelijken met een de middeleeuwse pandemieën die veroorzaakt werden door de pest. Deze bacterie had zo’n hoog mortaliteitscijfer dat een derde van de toenmalige Europese bevolking eraan bezweek. De ziekte kreeg de bijnaam ‘de zwarte dood’.

De bacterie die de pest veroorzaakt komt uit Azië en bereikte in de veertiende eeuw het Europese vasteland. Als een razend vuurtje verspreidde de kwaal zich. Hoewel de eerste en ergste pandemie toentertijd plaatsvond, bleef de ziekte van tijd tot tijd weer opduiken. Tot de uitvinding van antibiotica bleef de ziekte gevreesd. In de middeleeuwen en daarna werd elke regio wel een keer aangedaan door de pest.

Pesthuis
Eeuwen na het uitbreken van de pest, ontdekte men de oorzaak van de ziekte en hoe verspreiding kon worden voorkomen. Tot die tijd moest de bevolking roeien met de riemen die ze hadden. Lijders aan de pest werden eerst vooral thuis geïsoleerd. Ze mochten alleen naar buiten als ze zichtbaar maakten dat ze leden aan de ziekte, bij voorbeeld door middel van een witte vlag.
Ruwweg vanaf de zestiende eeuw werden lijders van de pest, maar ook anderen die leden aan een besmettelijke ziekten,  verpleegd in een pesthuis. Zo konden de patiënten effectiever verpleegd worden. Zo’n pesthuis lag vaak buiten de stadsmuren, zodat men minder kans liep op besmetting.

In Harderwijk was ook een pesthuis te vinden. In 1515 werd door het stadsbestuur een schuur aangekocht buiten de Sint Nicolaas of Luttekepoort op een stuk land dat ‘den Houtkamp’ heette. Het stadsbestuur telde voor de aankoop 34,5 Philipsgulden neer. De schuur moest nog wel verbouwd worden, hetgeen in 1516 gebeurde. Vanaf toen waren er twee vertrekken, waarvan één voor de ‘oppassers’ was en de andere voor de zieken. Tot 1585 werden er oppassers voor deze plek aangesteld, maar ergens tussen 1585 en 1602 is het pesthuis verplaatst naar het kerkje van de fraters. De fraters waren na de Reformatie vertrokken en de kapel uit 1441 kreeg een nieuwe bestemming als Pesthuis.

Over het eerste pesthuis nog een bijzonder verhaal, dat werd opgetekend door Ernst Brinck (1582 – 1649), burgermeester van Harderwijk. Hij schreef in zijn memories dat het in de ‘schuur’ spookte en dat men zei dat de katten alle nachten dansten in de schuur. Een man wedde om een ton bier dat hij er wel een nachtje kon bivakkeren. Toen hij ’s avonds in de schuur kwam, kwamen er een aantal katten. De man vroeg aan één van de katten: “Bonteke puys van waer comt ghij?”[1]. Kort daarna arriveerden meer katten, die elkaar bij de poten grepen en gingen dansen. De bonte kat vroeg toen aan de man: “Arnt Warmbout vraeghde mij, bonteke puyse van waer comt ghij?”[2]. Toen de man dat hoorde, greep hij het spit en sloeg ermee in het rond en raakte alle katten. Volgens overleveringen waren er de volgende dag verschillende oude vrouwen met een blauwe arm of een blauw oog…

Andere maatregelen
Naast de aankoop van het pesthuis nam het stadsbestuur nog andere maatregelen. Het stadsbestuur stelde ook de oppassers voor het pesthuis aan. Zo werd in oktober 1525 Lene, de vrouw van Peter Holtzager, aangesteld tot ‘bewaarster van de lijders aan de pest, en andere besmettelijke  ziekten, in het ziekenhuis buiten de stad. Lene werd benoemd voor zes jaar en werd voor haar werkzaamheden beloond met twee vrachten hout, één vracht turf en rijzen en een half mud rogge per jaar. De patiënten werden niet pro deo verzorgd, maar moesten Lene elke dag en nacht dat zij werden verpleegd twee Hollandse stuivers betalen. Na Lene volgden nog verschillende andere ‘oppassers'.

Naast het aanstellen van oppassers, moesten ook vroedvrouwen -  die tevens werden benoemd door het Stadsbestuur – beloven dat zij ook “ingeval pest of andere besmettelijke ziekten heerschen, vrouwen in barensnood te zullen bijstaan en, indien zij deze verplichting niet nakomt, al het van de stad ontvangen loon te zullen terugbetalen”. Weyne Jans, die in 1589 werd aangesteld als ‘vroemoeder’ beloofde dit ten overstaan van de gemeene schepenen. Ook de andere vroedvrouwen die voor en na Weyne werden aangesteld moesten dit verklaren.

Niet alleen ziekenzorg was geregeld, het stadsbestuur gaf ook maatregelen uit, waaraan de bevolking zich moest houden. Zo werden op de zondag na de 10e oktober 1540 in de kerk verschillende maatregelen van burgermeesters, schepenen en raad afgekondigd die zij wenselijk en noodzakelijk achtten. In 1575 werden op 9 september voorschriften gepubliceerd door het stadsbestuur. Onder andere dat lijders aan de pest en andere besmettelijke zieken én degenen die “met hen verkeerden” maatregelen in acht moesten nemen om verdere besmetting te voorkomen. Ook moesten gestorven varkens en andere beesten buiten de stad aan ’t Oever begraven worden.

Sporen in het heden
De kapel van de fraters, dat in de zestiende eeuw een herbestemming als pesthuis kreeg, bestaat nog steeds. Hoewel ernstig gehavend door een brand, is het behouden gebleven. Thans zijn er drie woningen in het gebouw. De Straat van Sevenhuysen – naar men aanneemt ooit een straat met zeven huizen – heeft een tijd het Pesthuisstraatje geheten. Begin twintigste eeuw is het omgedoopt tot Eendrachtstraat. Sinds 1976 heeft het weer de naam van voorheen: Straat van Sevenhuysen.

 

[1] Bonte poes, waar kom je vandaan?

[2] Arnt Warmbout vroeg mij, bonte poes, waar kom je vandaan?