Het leek een dag als zovele anderen, het was een droge periode geweest en het leger was schietoefeningen aan het uitvoeren, zoals dat zo vaak gebeurde. Deze 18e van juni zou echter een dag blijken te zijn die nooit vergeten zal worden. Het begon met een melding vanuit de legerplaats iets over half twee in de middag, op de heide zou een brand zijn ontstaan, waarvoor assistentie werd gevraagd. Gemeenten Doornspijk en Oldebroek stuurden brandweerwagens om polshoogte te nemen, aangekomen op de legerplaats leken de militairen zich niet bewust van enig gevaar. Toen de brandweerlieden echter het vuur en de harde oostenwind opmerkten, wisten zij dat het wel eens rap mis kon gaan.

Het logboek meldt dat de brandweer rond kwart over twee de Rijksweg 28 opreed, waar men zag dat de vlammenzee al over de tankbaan, dubbele spoorweg en over de Rijksweg in de particuliere bossen bij ’t Harde was beland. Dit alles had binnen drie kwartier na de melding plaatsgevonden. De eerste prioriteit was om het dorp te redden van de oprukkende brand, de brandweerlieden verplaatsten zich razendsnel naar het dorp en begonnen met het natspuiten van de huizen, ondertussen werd telefonisch groot alarm geslagen en werden alle omliggende brandweerkazernes opgeroepen om te komen helpen. Men koos om stand te houden op de Bovendwarsweg, koste wat het kost mocht de brand niet deze weg over. De rest van de langste dag van 1970, wat ’t Harde betreft, bleven de diverse brandweergroepen de brand bestrijden in de omgeving van ’t Harde. Brandweer Noordoostpolder en Ermelo aan de Bovendwarsweg, brandweer Elburg bij de jeugdherberg en brandweer Doornspijk aan de Bovendwarsweg en de Eperweg. Loofhout en omliggende huizen en boerderijen werden natgehouden en defensie maakte ondertussen met bulldozers brandgangen in het bos. In hotel Vale Ouwe, nu de La Place, was eerder die dag de commandopost van de hele operatie opgezet. Vanuit die plaats werd de gehele brandbestrijding gecoördineerd. Dat dit belangrijk was is wel te merken aan het feit dat er uiteindelijk alleen al aan brandweerkorpsen vanuit 26 kazernes, 263 manschappen met 40 wagens waren uitgerukt. Dit alles naast het defensiepersoneel en alle ondersteunende hulpverleners die mee hebben geholpen om de brand te bestrijden.

’t Harde stond op het punt om weggevaagd te worden, gelukkig is die ramp voorkomen. De rest van de nacht verliep redelijk rustig, brandweerkorpsen wisselden elkaar af in ploegendienst, hier en daar werden enkele vuurhaarden onder controle gebracht. Men was van de grootste schrik bekomen, toch bleek deze brand haar impact op het dorp te houden. Meer dan vijftig jaar later voert het leger nog steeds schietoefeningen uit, drogere perioden komen vele malen meer voor en de gemiddelde Hardenees is nog steeds huiverig wanneer er rookpluimen boven het schietkamp ontstaan.

Collega Gerrit Leusink kan zich die dag nog goed herinneren, hij was zeven jaar toen de brand op ’t Harde plaats vond. Zoals vele kinderen zat hij op het moment van de brand op school. De Petraschool, waar Gerrit naar school ging, stond gevaarlijk dicht in de lijn van de oprukkende brand. Gerrit kon de donkere rookwolken boven het bos zien, iedereen moest naar huis. Veel verder dan de Maranathakerk aan de Bovendwarsweg kwam hij echter niet, de straat lag vol met slangen en ander brandweerapparatuur en het was een wirwar van militairen en brandweerpersoneel. Gerrit werd door een tante meegenomen naar de Nijverheidsweg, hier zag hij hoe men ’s avonds en ’s nachts water uit het zwembad pompte om de brand te blussen. De dag daarna mocht Gerrit terug naar huis, hij zag dat een groot deel van het bos om de woning verbrand was. De Bovendwarsweg, waar Gerrit opgroeide, was voor de brandweer de grens waar de brand niet overheen mocht. Hij kan zich nog goed herinneren dat het water binnen nog langs de muren liep, dat kwam door het constante natspuiten van de rieten kap, die op een gegeven moment zo verzadigd was dat er nog een hele tijd daarna water uit kwam lopen. Ook had het leger met de Centuriontanks om de woning rond gereden om brandgangen te maken, waardoor het één grote ravage van hout en bladeren was geworden. Gerrit kan zich nog herinneren dat zijn vader uit paniek alle elektrische apparaten in de schuur naast het huis had gezet als een soort wanhopige reddingspoging. Gelukkig bleef het huis gespaard, de brand is letterlijk in de achtertuin van Gerrit tegengehouden. Zijn eigen opa Dries Leusink is hier nog een belangrijke factor in geweest, hij was namelijk commandant van de bosbrandweer en heeft dag en nacht gecoördineerd en gepatrouilleerd om de grote brand van 1970 te bestrijden.