In Afgestoft! willen we een bijzonder archiefstuk laten zien, dat invloed heeft gehad op de geschiedenis of op iemands persoonlijke leven in vroegere tijden. In de depots van de gemeenten die zijn aangesloten bij het Streekarchivariaat Noordwest-Veluwe vinden we veel bijzondere documenten. Stuk voor stuk zijn dat kleine parels in onze ‘schatkamer’. Omdat archief van ons én van jou is, willen we deze prachtige stukken graag met je delen! Heb je vragen of verzoekjes voor een artikel? Laat het ons weten via een reactie of Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.. We zoeken graag het een en ander voor je uit. Uiteraard kun je altijd verder onderzoek doen in onze studiezalen. Wil je langskomen? Maak dan een reservering via www.snwv.nl.

Deze keer in Afgestoft!: De watersnoodramp van 1825

Met een donderend geraas stortte de toren in. De toren, van middeleeuwse oorsprong, had honderden jaren trots uitgekeken over de Zuiderzee en het land dat aan de zee grensde. Het water sloeg langs de ruïnes van de eerder afgebroken kerk en steeg steeds verder. Het is de nacht van 3 op 4 februari 1825.
Met woest geweld slaat het water het land in door een combinatie van een noordwesterstorm met springtij. Vooral de gebieden rondom de Zuiderzee moeten het ontgelden. Overijssel en Friesland werden het zwaarst getroffen door deze vloed.

“Een nationale ramp, te vergelijken met de watersnoodramp van 1953”, schrijft Frits David Zeiler in een artikel voor het Tijdschrift voor Waterstaatsgeschiedenis. Maar toch is deze vloed al snel weer uit het nationale geheugen verdwenen. De herinnering aan de ramp wordt na korte tijd overspoeld met strubbelingen in het jonge Koninkrijk der Nederlanden. In 1830 vindt de Belgische Opstand plaats en deze gebeurtenis neemt de plaats in de vaderlandse geschiedenis van de watersnoodramp vijf jaar eerder. Zeiler benoemt de watersnoodramp van 1825 ‘de vergeten watersnood’.

(Inter)nationale hulp
Hulp die direct na een ramp wordt opgezet is ons niet vreemd. Bij de tsunami in Azië van 2004 en de aardbeving in Haïti in 2010 werd binnen enkele dagen internationale hulp opgezet. Ondanks het gebrek aan de huidige communicatiemiddelen was het in 1825 niet veel anders. Binnen enkele etmalen stond er een nationaal hulpprogramma, werden er overal spontane inzamelingen gehouden en zelfs internationale hulp werd geboden. In 1824 had men in Sint-Petersburg ook te maken gehad met grote overstromingen, grootvorstin Anna Paulowna was daar getuige van geweest. Vanuit de Russische stad werd financiële hulp geboden aan de slachtoffers.

Commissies
De lokale en regionale hulpacties die na de ramp spontaan waren opgezet, werden binnen een paar weken voortgezet als officiële hulpcomités. Veel van deze comités konden zich pas in 1829 weer opheffen, zolang duurde het voor de hulp niet meer nodig was.
In Elburg werd een Commissie Zeevloed 1825 opgericht, dat pas in 1828 weer werd gesloten. Het archief berust bij het Streekarchivariaat Noordwest-Veluwe onder toegangsnummer 1015. In de boeken is precies opgetekend welke inwoner van het getroffen gebied schade heeft geleden en hoeveel compensatie hij daarvoor heeft ontvangen.
Minutieus wordt er door de commissie bijgehouden hoeveel vee, gesplitst in paarden, runderen (ouder of jonger dan twee jaar), schapen en varkens slachtoffers zijn verloren. Ook de gezinsgrootte wordt vastgelegd, evenals de waarde van het verloren vee, de ‘bedelingen of vergoedingen’ in voorwerpen en geldbedragen. Ook het compensatiegeld dat wordt betaald uit de pot van de commissie wordt bijgehouden.
Zo verliest het vijfkoppige gezin van Jan Assen uit Horst twee schapen, waarvan de waarde wordt geschat op zes gulden. Ook huisraad is bij hem verloren gegaan, dat op 25 gulden wordt geschat. Vanuit de bedeling krijgt hij 20 gulden. Compensatie vanuit de commissie zit er voor hem niet in.

Waterstaatskerk
Persoonlijke hulp werd veelal uit de commissies geregeld, zoals hierboven te lezen is. Toch had ook de omgeving erg te lijden gehad van de ramp. Veel openbare gebouwen, zoals kerken, waren ook verwoest. Zo ook de kerk van Doornspijk en bijvoorbeeld Schokland. Deze kerken werden op een andere, drogere, plek herbouwd. Deze zogenaamde ‘Waterstaatskerken’ werden gefinancierd door de overheid. De kerk in Doornspijk werd van de Kerkdijk landinwaarts verplaatst, vlakbij landgoed Klarenbeek. Deze kerk is nog altijd in gebruik en is in de jaren ’50 en ’90 van de vorige eeuw flink uitgebreid. Waterstaatskerken zijn goed te herkennen aan hun uniforme neoclassistische stijl.

Na de storm
De zeevloed van 1825 was het begin van het denken over waterkering. Doordat de ramp snel werd vergeten, raakten plannen om Nederland veiliger tegen het water te maken op de achtergrond. Toen in 1863 en 1916 weer grote watersnoden volgden, werden plannen gesmeed voor de afsluiting van de Zuiderzee en zelfs de inpoldering van het latere IJsselmeer. Bijna een eeuw later, in 1918, kwamen die plannen definitief van de grond met de Zuiderzeewet.